Molenaar, een fragment uit 2001

Molenaar

Zojuist, vrijdag 10 augustus 2001, half een was Leen even mijn gast. Leen de man van de molens van vroeger van Zuid Holland en verder. Hij woont sinds

1956 in de ondermolen van de drie molens. De ondermolen is de molen die het dichts bij Wilsveen staat.

  ‘In de eerste molen woonde vroeger ouwe Teun,’ vertelt Leen. ‘Hij ging op zijn brommertje zingen in Benthuizen. Toen had je aan de kant van Wilsveen nog een draaihekje. Zodoende dat ik hem hoorde vertrekken en thuis hoorde komen. Als ik het pad naar de bovenmolen, daar waar Teun woonde, afging dan zag ik ’s avonds ouwe Teun zitten bij het licht van een kaars, te slapen. Dat dit altijd maar goed ging? Uiteindelijk ging het niet goed, kreeg Teun een hersenbloeding, werd opgenomen in een bejaardenverpleeghuis in Leiden en overleed een paar jaar later.’

21 Mei molendag. De wieken van de molens staan nog steeds zoals ze die dag gekruid zijn. Leen is de enige die zijn wieken laat draaien. ‘Zonde,’zegt Leen, ‘dat de anderen niet meer in werking zijn, want een molen moet af en toe even draaien. Nu hangt de ballast  altijd op een punt en dat is slecht voor de molen.’

Leen draait de molen nog voor zijn hobby, zo hij dat noemt. De anderen wonen op de molen alleen voor het wonen. Talrijke heeft hij er vanaf 1956 zien komen. Want het lijkt allemaal leuk, maar de wind en de regen in en om de molen, daar moet je tegen kunnen.

In november 1955, kregen Leen en zijn vrouw aanvankelijk de middelste molen aangeboden. De molenaar van toen ging verhuizen naar een net nieuw gebouwd bejaardenwoninkje in Schoorwijk in Leidschendam. ‘Piet als ik me niet vergis,’ vertelt Leen. ‘Hij had er met zijn derde vrouw en negen kinderen praktisch zijn hele leven gewoond. Vrouw en negen kinderen, moet je nagaan. Zij is nog oud geworden, dik in de negentig. Van de kerk uit deed ik de bejaarden met hun verjaardag een bloemetje brengen, haar dus ook. En dan zei ze: `De jongens komen zo ook nog even.’ De jongens waren inmiddels ook dik gepensioeneerd.’

5 March 2010
By on 12:40
post voor

02

Zit vandaag ook geen snelheid in mijn botten. De nacht nam weer aardig wat tijd met lezen en een enkel stukje dat nog in het privé archief zit. Ben ook aan de oorlog van Otto begonnen. Bedacht dat ik zelf de oorlog niet heb meegemaakt en jij me zei, ‘ja, maar je hebt er toch wel veel over gelezen, en je bent toch ook naar Duitsland geweest en hebt de straten van de stad onder je voeten voelen branden en je was toch ook in Oraniënburg?’

  ‘Allemaal waar’, antwoordde ik, ‘maar zo is het toch toeristisch. Het is net alsof je de oorlog op de televisie ziet, zoals ik in mijn leven al veel mensonterende oorlogen via de televisie voorgeschoteld heb gekregen. Dat is geen oorlog, dat is niet de ellende die bijvoorbeeld mijn moeder heeft meegemaakt toen haar man van de ene dag op de andere naar Duitland werd getransporteerd, en dat haar zoon naar Friesland mocht om aan te sterken, anders had hij het niet overleefd. Mijn moeder, de foto’s zijn nog stille getuigen, was een lopend graatmager beenderstelsel, dat zich in leven moest houden met aardappelschillen en ander mager voedsel.’

  We zouden zomaar voor jouw huisje in de late middag hebben kunnen zitten praten. Ik zou Jouw Leo Lebbing noemen en mezelf Onno Varenkamp. En kletsen dat we deden, gewoon maar doorpraten. Via de oorlog naar de literatuur, naar de kunst en over de liefde en onze grote passie voor vrouwen.

  Leo zou gezegd hebben, ‘ze woont vlakbij, ze is nog zo jong, ik zou er zomaar losse gedachten bij hebben.’

  Ja, Leo is een figuur hoor!

P.s. Momenteel draai ik John Sebastian, de eerste cd van Reprise Years. Leuk die oude nummers. Did You ever have to make up Your mind.

01.

Adriaan, tijd. Er gebeurt zoveel op een dag in mijn leven dat het vastleggen daarvan me al te veel tijd kost. Neem vandaag, laat opgestaan, daar ik afgelopen nacht nog wat gedichten heb geschreven. Meteen na het opstaan muziek opgezet: Snafu, van East of Eden en Pietro Antonio Locatlli, orkestwerken. Momenteel speelt Johan Adolf Hasse, fluitconcerten, allemaal barok; het geluid van de rust. Gedoucht,  vers geperst fruit gedronken, krant tussendoor gelezen, en de klok loopt alweer in de middag. Als de zon nog even wil komen ben ik alweer onderweg met camera’s en verrekijker. Gistermiddag, na het werk, nog even snel een serie plaatjes van een distervlinder geschoten, hij zat op me te wachten toen ik net de deur van de drukkerij uitwas.

  Nu zit ik letterlijk nog in mijn verschoning, moet nog ontbijten, N. bellen en wil nog wat klassiek gitaar spelen, misschien nog een vleug orgel, maar of ik dit allemaal kan verwezelijken? Enfin, eerst maar aan den dis. Mocht ik toch nog wat bijzonders te melden hebben dan laat ik je dit alsnog weten.

Gegroet, Frank

Oké nog een van die gedichtjes dan. Nu één jaar na de dood van Hugo Claus.

Als een havik aanschouwt

hij nog eenmaal de aarde

in het zwart van de nacht

ziet hij dat licht die plaats

waar hij zal landen en de

tijd is zijn prooi die hem

zal verslaan zo hij dat wilde

210509

P.s.

Hemelvaartsdag heeft iets verhevens in zich,

Maar om daar nu vandaag me bezig te zijn?

22 May 2009
By on 11:58
Zondag 3 mei 2009

Nadat we gisteren via de Vara de nieuwste film van Alex van Warmerdam in Rotterdam hebben gezien zijn we doorgereisd, N. en mijn persoontje naar Heveadorp, naar het gewezen landgoed Duno. Eindelijk eens, want we wilden er al eerder naartoe, maar het kwam er niet van. In Duno bestond de kans dat we de beroemde wielewaal te zien konden krijgen. Ik had zijn roepgeluiden speciaal in een file op mijn mp3 gezet. Mijn mp3 kan ook zonder oordopjes afspelen. En zo liepen we door het majestueuze bos. Maar hoe we ook zochten, meneer wielewaal liet zich niet zien; laat staan horen.

  Zo zie je maar, wat je wilt, hoeft zeker niet altijd voor de hand te liggen.

  Dit in tegenstelling met het vorige weekend. Toen waren we op zaterdag bij de vogelbescherming in Zeist, om de kop van het statief van de telescoop na te laten kijken. Daarna gingen we door naar ons geliefde Heidestein, een duingebiedje met ven in het Bornia. Heidestein heeft ons veel geboden en verrast ons nog steeds. Al direct waren er weer de roodborsttapuiten, de boompieper en de boomleeuwerik. Boven de bomen cirkelde de buizerd.

  N. zag ze eigenlijk meteen. Ze kwamen uit de greppel die overtollig water vanaf het ven naar een plas in het begin van het bos transporteert. Nu stond er door de droogte niet al te veel water in.

  Ortolaan, zegt N. Een mannetje. En de tweede zit in dat loofboompje daarachter. Ze richtte de telescoop en zo hadden we onze eerste ortolaan in beeld. Ik twijfelde, maar N. wist het zeker. Bij analyse nog dezelfde avond thuis bleek dat ze gelijk had.

  En ik, die dacht vanwege de zeldzaamheid van de ortolaan er nooit een in mijn leven te zien te krijgen, werd zonder vragen getrakteerd.

Gisteren merkte N. nog op, op de terugreis in de trein; als je aan vogelaars vorige week verteld zou hebben dat we een paartje ortolanen gezien hebben zou niemand je geloven.

4 May 2009
By on 11:15
Gedraaid 140309

Voor Adriaan

Zaterdag 14 maart 2009. Momenteel qua gehoor aan de Mahavishnu Orchestra, Between Nothingness and Eternity. Daarvoor The Strawbs gedraaid en daar weer voor een stukje waarvan de zangers me in een droom verscheen, Judy Collins. Een van de inspiratiebronnen van menigeen beginnend zangeresje. Een tweede inspiratie bron is Joni Mitchell, waarvan ik een leifhebber ben, van haar muziek natuurlijk. Afgelopen week ook nog een Chris Hinze gedraaid, Saliah, heerlijk. Veel gewerkt afgelopen week. Gisteren voor het eerst weer eens lekker de polder in. Niets bijzonders, voor ons doen, gezien, tenzij je baltsende rosse stekelstaarten bijzonder vind?

  Voor de boekenweek Koetsier Herfst, van Charlote Mutsaers gekocht, plus Midas en anderszins. Betekend dat N. en mijn persoontje morgen met het geschenk treinen.

  Niets te klagen, zo mag ik het hebben.

14 March 2009
By on 13:15
vandaag gedraaid 090305

vandaag gedraaid, May Blitz. Een driemansformatie uit de U.K. 1969. Hebben twee elpees gemaakt. Echte leuke zeventiger sfeer, vleugt naar The Cream, maar melodieuzer.

La Bottine Souriante. Frans Canadeze folk, beentjes van de vloer. Veel mooie instrumenten. Je zou zo even naar Canada vliegen om een optreden bij te wonen. Canada Air. Kwam ik tien jaar geleden zomaar in de kleine bibliotheek tegen.

Roy Ayers, A tear to a Smile. Geen broer van Adriaan, geen broer van Kevin. Toch een omvangrijk oeuvre op zijn naam. Muziek die past onder het schrijven van tekst of poezie.

In de pruttelmachine, bites and peaces. o.a. Dicky Betts, Orzic Tentacles, Fountains of Light. Misschien hier later meer over. De maag knort.

5 March 2009
By on 16:52
Wat er allemaal uit een neus kan komen,

Zo is het donderdag. Het werk heeft een goede duw in de richting van afkomen gekregen. Na de laatste puntjes is het tijd te relativeren. Je gaat zitten en denkt Mijn Heer wat voel ik me moe. Die vermoeidheid schuif je op het conto arbeid en daar, schijnt het, is nog nooit iemand van doodgegaan. Morgen ben je vrij. Je zou getweeën naar Groningen gaan. Op tijd op, de trein van kwart over negen. Nee, die van één voor half tien. Die is te laat. Jullie missen de aansluiting op het Centraal Station. Je bent nét uitgestapt, rent naar de trein van bestemming. De deuren zijn al dicht. Je kunt er in woede alleen een klap op geven, waarna hij als een geschrokken paard wegrijdt.

  De middag in Groningen stad is in grijs druilerig weer. Niet getreurd er is genoeg aardigs te zien, en inderdaad de prijzen van groente, fruit en vlees, op de markt, zijn een stuk billijker dan bij ons hier in het westen. Koop je hier, bij ons, een kilo pomadoris voor vijfenzeventig eurocent? Je moet er wel de hele dag mee zeulen. Evenals met twee keer een pondje Italiaanse kaas. Ruim acht ons verse roomboter en in de maag een goed gevuld Turksbroodje  met feta, sla en tonijnsalade, gevolgd door een uitstekend gebakken lekkerbek, en de helft van de tweede die de eega niet op kan.

  In de kunsthandel is de verleiding groot niet alle afgeprijsde boeken en enkele posters mee te nemen. Oh, er ligt zoveel verleidelijks dat de portemonnee vijf keer de rekening zal overslaan. Maar goed dat geld ook grenzen aangeeft.

  Heerlijke stad, die stad die we achterlaten voor een ruime terug reis. Tot Amersfoort in gesprek met een rechtenstudent, die het weekend bij zijn ouders in Zeist doorbrengt. Hij wordt lief door pa van het station gehaald.

  Doodmoe thuis, terwijl we lichamelijk toch niet zoveel gedaan hebben. Geslenterd ja, e daar schijn je ook moe van te worden, evenals van veel zitten in een trein.

  Het bed dwong tot twaalf uur slaap. De zaterdag was een schim van zijn. Wat gewoon was ging ongemerkt voorbij en verder viel niets op, wij ook niet.

  Op zondag sloeg de incubatie door. De koorts sprong me op de lippen, in het hoofd en in de keel. De benen werden van stijf plastiek. (Mooie tikfout: beneb. Falende benen die de dag even niet kunnen dragen.)

  Het lichaam gebood rust. De keel met prikkeldraad gesnoerd. Droombeelden die in allerlei kleuren en vormen uiteenspatten. Trek in eten was bescheiden. Een bakje griesmeel, een paar boterhammen met kaas belegd op wat snel verleppende blaadjes kropsla. Veel water en tussen de zuchten door een handsinaasappel.

  Zo werd de griep bestreden. Een strijd die al heel wat meubelen aan de kant heeft geschoven, maar die weer wat lol in de omgeving begint te krijgen. Rustig aan. Eens in het half uur naar de wastafel. Vinger tegen het rechterneusgat, een stoot. Vervolgens het linkerneusgat. Kraan opendraaien en spoelen. Het lijkt wel van achter de longen te komen. Dus als ik straks, na een week thuis, even de deur uitga, me goed inpakken tegen de tocht op mijn rug. Een longontsteking geeft meer benen in de lucht.


By on 16:22
Wij, zijn lot?

Het was eindelijk echt winter. Veel waterplassen en de Vliet bevroren. Het hele dorp bijna op de schaats. Bijna, want N. en mijn persoon zijn op zulke dagen altijd opzoek naar wintergasten als nonnetjes, grote zaagbekken, kleine zwanen en de pracht van de brilduikers.

  Zo ook zaterdag de tiende januari. Met bus 45 naar de Kniplaan. In het eeuwige boodschappenwagentje, dat onderhand al heel Nederland door is geweest, de telescoop, het statief, de digitale spiegelreflex, onze verrekijkers en mondvoorraad in de vorm van stukken winterpeen, stengel selderij, appel, mandarijnen, twee bananen en een zestal krentenbollen.

  Al op de Kniplaan hangen we de verrekijkers om. Het kan zomaar gebeuren, zoals twee weken geleden, dat je een gele kwikstaart of wat vrolijke heggenmussen treft. Dit keer niet. De Kniplaan was het adres van geparkeerde auto’s, waaruit hele families met schaatsen om de nek en mobiele telefoon aan het oor kwamen om in een keur van gesprekken het vermaak van schaatsen op de vliet of vogelplas te beleven.

  Over de Overhaalbrug liepen we naar de eerste kleine plas, die uiteraard bevroren was, maar waarover het ijs nog wel eens een waterral wil rennen. Uit een stukje rietkraag meende N. zacht murmelende geluiden te horen. Ze hoopte op baardmannetjes. Helaas niet. Er is bijna niets mooiers dan een baardmannetje in de zon op een rietpluim, voor een vogelaar.

  N. stelde voor het eerste ruiterpad aan de Meeslouwerplas te nemen. Ik stemde, tot haar verbazing, direct met haar in. Links en rechts kijkend en luisterend of we misschien toch… We werden ingehaald door een vrouw die haar twee honden, Schnauzers, uitliet, terwijl ze met haar mobiel in contact stond met haar familie. Oh, zijn ze er al, hoorde ik haar zeggen, terwijl haar ongelijnde honden licht keffend op een groep wilde eenden, meerkoeten en waterhoentjes afgingen, die zich aan het eind van het pad, uit de wind koesterden in de zon. Met veel gekwaak vloog de groep op, over de rietkraag, het koude water van de plas in. De vrouw commandeerde de honden door te lopen.

  Toen ik bij de plaats kwam waar de groep was opgevlogen, zag ik een eenzaam meeuwtje liggen. Hij keek me helder aan, maar vloog niet op. Ik wenkte N. Die met mij constateerde dat de meeuw niet goed was. We moeten de dierenambulance bellen, zei zij. Weet jij het nummer dan, vroeg ik verbaasd. Ja, zei ze, als het goed is 070 3282828. Ik belde en kreeg een medewerker aan de lijn. Vertelde hem dat er een stormmeeuwtje op het pad lag, dat wel helder keek maar niet opvloog. De man vroeg of we het dier konden verschuiven. N. probeerde het en kon hem zelfs optillen. Zwak trachtte hij naar haar te pikken, maar berustte al snel in zijn lot, de warme rode wollen handschoenen van N. Zijn staart en de uiteinden van zijn vleugels zaten in klonten ijs aan elkaar gevroren.

  Als hij zo weinig weerstand biedt, heeft hij waarschijnlijk zijn rug gebroken, zei de medewerker. Kan hij zijn poten bewegen?

  Net, wel even, toen we hem oppakten, antwoordde ik. Maar hij ziet er nog levendig uit.

  Toch kan het goed zijn dat hij zijn rug heeft gebroken en dan is er geen redden meer aan, zei de medewerker weer.

  Maar wat moeten we dan doen, hem terug leggen en gewoon laten sterven, want zijn nek omdraaien, dat kan ik niet?

  De man beloofde de ambulance te sturen. En deze arriveerde na een minuut of twintig op de hoek van de Kniplaan en de Oostvlietweg. De chauffeur, een aardige man, was veraast een stormmeeuwtje aan te treffen. Deze krijgen we niet vaak, zei hij. Hij bekeek de reactie van de naar hem pikkende meeuw. Nam hem over en legde hem in een geopende kattenkooi op een kleedje.

  In ieder geval ligt hij nu in de warmte, zei de man. En we moeten maar zien wat er van terecht komt. Hij groette, stapte weer achter het stuur, keerde de wagen en reed tussen de wandelende schaatsers door de Oostvlietweg weer af.

  Zie je, zei N., Zo moest het zijn. Ik vond het al zo wonderlijk dat jij meteen instemde met mijn over het ruiterpas willen gaan. Dat was zijn lot, wij waren zijn lot. Ergens heeft hij ons onwillekeurig geroepen.

  We gingen verder langs de kop van de Meeslouwerplas in de richting van waar eens de uitkijktoren stond. Daar sloegen we linksaf naar de open plas. Sloegen bij het water weer rechts af.

  Na een meter of dertig maakte N. een zwijgend gebaar. Aan de rand van het water in de kleine stuiken bewoog zich een vogeltje. Aanvankelijk konden we niet goed zien wat het was, we vermoedden de roodborst van eerder. Maar N. zei, nee, hij is wat groenig. En ineens zag ik de fel oranje streep op zijn kopje en meteen ook zijn witte gezichtmasker. Een vuurgoudhaantje!

  Even stonden we perplex en euforisch tegelijk. Een vuurgoudhaantje.

  Zie je, zei N. Dat is de beloning voor het verzorgen van de stormmeeuw.

  Zo snel ik kon haalde ik de camera uit mijn tas. Het vuurgoudhaantje liet zich in het schaarse licht niet gemakkelijk fotograferen, maar achteraf hield ik er twee redelijke foto’s aan over.

Verder troffen we nog drie kleumende grote zilverreigers die zich opwarmden in de snel dalende zon. Genoten we van de vluchten wulpen die prachtig roepend hun slaapplaats zochten. Als laatste zagen we in de schemering de kleine zwanen uit de polders komen. Ook zei bespraken, eenmaal geland, met elkaar de gebeurtenissen van de dag, voor het slapen gaan. Ja, een echte winterdag, die je niet meer vergeet.

De volgende dag, zondag, belde ik de dierenambulance opnieuw, met de vraag hoe het met de stormmeeuw ging. De medewerker vertelde dat de vogel naar vogelopvangcentrum De Wulp was gebracht en gaf me het telefoonnummer.

Ik kreeg een medewerkster aan de lijn. Vroeg hoe haar het met de stormmeeuw was. Ze was nog maar net met haar dienst begonnen. Had het meeuwtje wel gezien, maar of hij gegeten had, wist ze niet. Wel dat er een bak met kleine vis bij hem stond.

  Beleefd bedankte ik haar, zei dat ik later deze week nog wel zou bellen. Maar of ik dit doe, weet ik nog steeds niet, uiteindelijk hoef ik de afloop van het lot niet te weten, zo blijft er ruimte over voor een mogelijke latere ontmoeting met een boven ons vliegend stormmeeuwtje.

Vuurgoudhaantje_1_uitsnede_2 Nic_en_gevonden_stormmeeuw_uitsnede

17 January 2009
By on 13:03
januari 2009

zonder commentaar

Nic_en_gevonden_stormmeeuw_555

11 January 2009
By on 23:50
180808

We zijn over de helft van de Olympische China dagen. Hier en daar wordt alweer wat vrijer gezucht in de verlichting. China doet het fantastisch in eigen land, de gouden medailles vliegen de wereld om de oren. Enige atleten vieren heimelijk feest, het drillen der jaren juicht in stilte, afgelopen, even niets.

In het westen gaan agenda’s dicht. China, een streep er over. We hoeven ons geen zorgen meer te maken, de mensenrechtenkwesties zullen de langste afstanden wel gelopen hebben. Nu is het tijd voor handel. Een dode minder? Die hebben we toch nooit gekend. De mens bestaat niet, daarom bewapenen we ons!

18 August 2008
By on 10:12
170808

170808

Laten we elkaar opduwen, opzwepen in de vaart der volkeren. Laten we lief maar genadeloos zijn. Laten we met respect een eerlijkheid verdedigen die niet bestaat. Want van ons zal iemand de beste zijn. We zoeken en kneden de duwen en vormen door en door tot we de besten hebben gevonden. Want de besten zijn sneller en zijn ons gezicht. En hoeveel meer wij de besten kunnen kweken, zoveel harder is ons gezicht. Zonder een spier te vertrekken moeten de besten optimaal presteren. Zij zijn niet de besten, maar wij. Zij zijn de middelen voor ons, de lichamen van ons die moeten presteren om voor ons de besten te zijn. Want wij, zijn de voorsprong van de wereld. Wij lopen het vaakst voorop. Onze prestaties zijn de beste. Wij slaan harder, spuwen verder en kunnen beter minachten dan wie ook. Ons prestige is de beste presentatie. Onze adem kun je overal ruiken. Onze geur zal bedwelmend zijn. Al moet het vijftig, honderd of vierhonderd meter zijn, moeten we tien kilometer, of nog verder de grens over, we moeten gaan in de naam van het prestige, onze macht. Onze eindeloze macht. We branden een kaars, een dorp, verschroeien wat levens, verdorren wat aarde. De wereld bestaat niet, wij bestaan.

17 August 2008
By on 12:43