Het was eindelijk echt winter. Veel waterplassen en de Vliet bevroren. Het hele dorp bijna op de schaats. Bijna, want N. en mijn persoon zijn op zulke dagen altijd opzoek naar wintergasten als nonnetjes, grote zaagbekken, kleine zwanen en de pracht van de brilduikers.
Zo ook zaterdag de tiende januari. Met bus 45 naar de Kniplaan. In het eeuwige boodschappenwagentje, dat onderhand al heel Nederland door is geweest, de telescoop, het statief, de digitale spiegelreflex, onze verrekijkers en mondvoorraad in de vorm van stukken winterpeen, stengel selderij, appel, mandarijnen, twee bananen en een zestal krentenbollen.
Al op de Kniplaan hangen we de verrekijkers om. Het kan zomaar gebeuren, zoals twee weken geleden, dat je een gele kwikstaart of wat vrolijke heggenmussen treft. Dit keer niet. De Kniplaan was het adres van geparkeerde auto’s, waaruit hele families met schaatsen om de nek en mobiele telefoon aan het oor kwamen om in een keur van gesprekken het vermaak van schaatsen op de vliet of vogelplas te beleven.
Over de Overhaalbrug liepen we naar de eerste kleine plas, die uiteraard bevroren was, maar waarover het ijs nog wel eens een waterral wil rennen. Uit een stukje rietkraag meende N. zacht murmelende geluiden te horen. Ze hoopte op baardmannetjes. Helaas niet. Er is bijna niets mooiers dan een baardmannetje in de zon op een rietpluim, voor een vogelaar.
N. stelde voor het eerste ruiterpad aan de Meeslouwerplas te nemen. Ik stemde, tot haar verbazing, direct met haar in. Links en rechts kijkend en luisterend of we misschien toch… We werden ingehaald door een vrouw die haar twee honden, Schnauzers, uitliet, terwijl ze met haar mobiel in contact stond met haar familie. Oh, zijn ze er al, hoorde ik haar zeggen, terwijl haar ongelijnde honden licht keffend op een groep wilde eenden, meerkoeten en waterhoentjes afgingen, die zich aan het eind van het pad, uit de wind koesterden in de zon. Met veel gekwaak vloog de groep op, over de rietkraag, het koude water van de plas in. De vrouw commandeerde de honden door te lopen.
Toen ik bij de plaats kwam waar de groep was opgevlogen, zag ik een eenzaam meeuwtje liggen. Hij keek me helder aan, maar vloog niet op. Ik wenkte N. Die met mij constateerde dat de meeuw niet goed was. We moeten de dierenambulance bellen, zei zij. Weet jij het nummer dan, vroeg ik verbaasd. Ja, zei ze, als het goed is 070 3282828. Ik belde en kreeg een medewerker aan de lijn. Vertelde hem dat er een stormmeeuwtje op het pad lag, dat wel helder keek maar niet opvloog. De man vroeg of we het dier konden verschuiven. N. probeerde het en kon hem zelfs optillen. Zwak trachtte hij naar haar te pikken, maar berustte al snel in zijn lot, de warme rode wollen handschoenen van N. Zijn staart en de uiteinden van zijn vleugels zaten in klonten ijs aan elkaar gevroren.
Als hij zo weinig weerstand biedt, heeft hij waarschijnlijk zijn rug gebroken, zei de medewerker. Kan hij zijn poten bewegen?
Net, wel even, toen we hem oppakten, antwoordde ik. Maar hij ziet er nog levendig uit.
Toch kan het goed zijn dat hij zijn rug heeft gebroken en dan is er geen redden meer aan, zei de medewerker weer.
Maar wat moeten we dan doen, hem terug leggen en gewoon laten sterven, want zijn nek omdraaien, dat kan ik niet?
De man beloofde de ambulance te sturen. En deze arriveerde na een minuut of twintig op de hoek van de Kniplaan en de Oostvlietweg. De chauffeur, een aardige man, was veraast een stormmeeuwtje aan te treffen. Deze krijgen we niet vaak, zei hij. Hij bekeek de reactie van de naar hem pikkende meeuw. Nam hem over en legde hem in een geopende kattenkooi op een kleedje.
In ieder geval ligt hij nu in de warmte, zei de man. En we moeten maar zien wat er van terecht komt. Hij groette, stapte weer achter het stuur, keerde de wagen en reed tussen de wandelende schaatsers door de Oostvlietweg weer af.
Zie je, zei N., Zo moest het zijn. Ik vond het al zo wonderlijk dat jij meteen instemde met mijn over het ruiterpas willen gaan. Dat was zijn lot, wij waren zijn lot. Ergens heeft hij ons onwillekeurig geroepen.
We gingen verder langs de kop van de Meeslouwerplas in de richting van waar eens de uitkijktoren stond. Daar sloegen we linksaf naar de open plas. Sloegen bij het water weer rechts af.
Na een meter of dertig maakte N. een zwijgend gebaar. Aan de rand van het water in de kleine stuiken bewoog zich een vogeltje. Aanvankelijk konden we niet goed zien wat het was, we vermoedden de roodborst van eerder. Maar N. zei, nee, hij is wat groenig. En ineens zag ik de fel oranje streep op zijn kopje en meteen ook zijn witte gezichtmasker. Een vuurgoudhaantje!
Even stonden we perplex en euforisch tegelijk. Een vuurgoudhaantje.
Zie je, zei N. Dat is de beloning voor het verzorgen van de stormmeeuw.
Zo snel ik kon haalde ik de camera uit mijn tas. Het vuurgoudhaantje liet zich in het schaarse licht niet gemakkelijk fotograferen, maar achteraf hield ik er twee redelijke foto’s aan over.
Verder troffen we nog drie kleumende grote zilverreigers die zich opwarmden in de snel dalende zon. Genoten we van de vluchten wulpen die prachtig roepend hun slaapplaats zochten. Als laatste zagen we in de schemering de kleine zwanen uit de polders komen. Ook zei bespraken, eenmaal geland, met elkaar de gebeurtenissen van de dag, voor het slapen gaan. Ja, een echte winterdag, die je niet meer vergeet.
De volgende dag, zondag, belde ik de dierenambulance opnieuw, met de vraag hoe het met de stormmeeuw ging. De medewerker vertelde dat de vogel naar vogelopvangcentrum De Wulp was gebracht en gaf me het telefoonnummer.
Ik kreeg een medewerkster aan de lijn. Vroeg hoe haar het met de stormmeeuw was. Ze was nog maar net met haar dienst begonnen. Had het meeuwtje wel gezien, maar of hij gegeten had, wist ze niet. Wel dat er een bak met kleine vis bij hem stond.
Beleefd bedankte ik haar, zei dat ik later deze week nog wel zou bellen. Maar of ik dit doe, weet ik nog steeds niet, uiteindelijk hoef ik de afloop van het lot niet te weten, zo blijft er ruimte over voor een mogelijke latere ontmoeting met een boven ons vliegend stormmeeuwtje.